Po­cken­schien in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɔkn̩ˌʃiːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Po·cken·schien
Plural: Po­cken­schiens m de Po­cken­schien
[1]
perifere woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Pocken + Schien