Dän­nen­boom in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdɛn̩ˌbɔu̯m/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dän·nen·boom
Plural: Dän­nen­bööm m de Dän­nen­boom
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Crusier, CC BY 3.0
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
enkelt Exemplar von en Dänn
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Dänn + Boom