Schrub­ber in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈʃɾʊ·bɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Schrub·ber
Plural: Schrub­bers m de Schrub­ber
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
mop
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: schrubben + -er + schrubben + -er