ge­sund in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡɛˌzʊnt/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: ge·sund
gesunder gesundst
gesunder gesundst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ge- + sund + ge- + sund