wed­der in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈvɛ·dɐ/
adverb
Afbreking: wed·der
[1]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
=
wieder
Examples:
[1] Ik bün dor wedder!
[2]
basiswoordenschat
actief
Nedersaksisch:
noch maal
Engels:
Duits:
=
wieder
Examples:
[1] Wöölt wi dat noch wedder maken?
[3]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits:
=
wider