bies­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbiːs·tɐ/ 🔊︎
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: bies·ter
biesterer biesterst
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
wild, wirr
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Duits: