Bies­ter­bahn in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbiːs·tɐˌbɔːn/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bies·ter·bahn
Plural: Bies­ter­bah­nen f de Bies­ter­bahn
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: biester + Bahn