Pi­raat in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈpɪ·ɾɔːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Pi·raat
Plural: Pi­ra­ten m de Pi­raat
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits: