Ge­wid­der in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ɡɛˈvɪ·dɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ge·wid·der
Pluralis: Gewidders n dat Ge­wid­der
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Wi harrn vonnacht en Gewidder.

Etymologie:

Woord afleidt van: ge-