Ö­ver­blick in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈøː·vɐˌblɪk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ö·ver·blick
Niet gebruikt het pluralis m de Ö­ver­blick
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Översicht
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Ik heff den Överblick verloren.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: över + Blick