Win­kel in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈvɪn·kəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Win·kel
Pluralis: Winkels m de Win­kel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
[3]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden: