Back­huus in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈbakˌhuːz/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Back·huus
Pluralis: Backhüüs n dat Back­huus Nordniedersächsisch
Pluralis: Backhüser n dat Back­huus Westfälisch, Nordniedersächsisch, Ostfälisch, Märkisch, Pommersch
Pluralis: Backhusen n dat Back­huus
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: backen + Huus