Steen­set­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstɛːnˌzɛ·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Steen·set·ter
Plural: Steen­set­ters m de Steen­set­ter
[1]
geavanceerde woordenschat
[2]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Steen + setten + -er