kab­be­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈka·bə·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: kab·be·lig
kabbeliger kabbeligst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
ahn Roh, opwöhlt (von de See)
Nederlands:
Engels:
sea
Duits:
Voorbeelden:
Wi harrn kabbelige See.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: kabbeln + -ig