op­maal in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ɔpˈmɔːl/
bijwoord
Afbreking: op·maal
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Se weer opmaal ganz still.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: op + Maal