un­ver­woh­rens in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ʊn·fəɾˈvɔː·ɾəns/
bijwoord
Afbreking: un·ver·woh·rens
[1]
geavanceerde woordenschat
Examples:
Unverwohrens keem he üm’e Eck lopen.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: un- + ver- + wohren