Af­fall in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈafˌfal/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Af·fall
Pluralis: Affäll m de Af­fall
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Smiet dat in’n Affall.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: af + Fall