Ar­kel in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈa͡ɐ·kəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ar·kel
Pluralis: Arkels n dat Ar­kel
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits: