Ba­gen in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔːɡn̩/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ba·gen
Plural: Ba­gens m de Ba­gen
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Rundung
Engels:
arc
Duits:
=
Bogen
Beeld, dat de onderbeduiding illustreerd
Getüm, CC BY-SA 3.0
[2]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Reedschop to 'n Afscheten von Pielen
Nederlands:
=
boog
Engels:
=
bow
Duits:
=
Bogen