Ba­gen in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈbɔːɡn̩/ 🔊︎
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ba·gen
Pluralis: Bagens m de Ba­gen
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Rundung
Nederlands:
Engels:
arc
Duits:
[2]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
bow
Duits:
Voorbeelden:

Etymologie:

Woord afleidt van: Baag