jib­be­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈjɪ·bə·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: jib·be·lig
jibbeliger jibbeligst
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: jibbeln + -ig