jid­de­lig in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈjɪ·də·lɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: jid·de·lig
jiddeliger jiddeligst
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Woord afleidt van: -ig