Ehr­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɛː͡ɐˌtiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ehr·tiet
Pluralis: Ehrtieden f de Ehr­tiet
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ehr + Tiet