Beff­ken in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈbɛfkn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Beff·ken
Pluralis: Beffkes n dat Beff­ken
Pluralis: Beffkens n dat Beff­ken
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
bef
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: -ken