Jä­ger in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈjɛː·ɡɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Jä·ger
Pluralis: Jägers m de Jä­ger
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
De Jäger hett en Voss schaten.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: jagen + -er