Witt­russ in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈvɪtˌɾʊs/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Witt·russ
Pluralis: Wittrussen m de Witt­russ
[1]
geavanceerde woordenschat
is een eigennaam
Nedersaksisch:
Minsch ut dat Volk von de Wittrussen
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: witt + Russ