Neet­schie­ter in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈnɛːˑtˌʃiː·tɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Neet·schie·ter
Plural: Neet­schie­ters m de Neet­schie­ter
[1]
perifere woordenschat
figuratiev

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Neet + Schieter