Waag­stü­ck in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈwaagˌstʏk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Waag·stück
Plural: Waag­stü­cker n dat Waag­stü­ck
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
en Akschoon, bi de man veel waagt
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: wagen + Stück