ver­koop­sla­gen in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /fəɾˈkɔu̯pˌslɔːɡn̩/
werkwoord
Afbreking: ver·koop·sla·gen
[1]
geavanceerde woordenschat
sik ~

Werkwoordvormen:

infinitief:
verkoopslagen
voltooid deelwoord:
verkoopslagen
ik
du
he/se/dat
wi
ji
se
tegenwoordig:
ik verkoopslaag
du verkoopsleihst
he/se/dat verkoopsleiht
wi verkoopslaagt
ji verkoopslaagt
se verkoopslaagt
verleden:
ik verkoopslöög
du verkoopslöögst
he/se/dat verkoopslöög
wi verkoopslögen
ji verkoopslögen
se verkoopslögen
voltooid:
ik heff verkoopslagen
du hest verkoopslagen
he/se/dat hett verkoopslagen
wi hebbt verkoopslagen
ji hebbt verkoopslagen
se hebbt verkoopslagen
conjunctief:
ik verkoopslöög
du verkoopslöögst
he/se/dat verkoopslöög
wi verkoopslögen
ji verkoopslögen
se verkoopslögen
imperatief:
verkoopslaag!
verkoopslaagt!

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: ver- + koopslagen