Bod­den­kö­nig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔdn̩ˌkøː·nɪç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bod·den·kö·nig
Plural: Bod­den­kö­nigs m de Bod­den­kö­nig
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
de, de bi 't Tünnenslagen den Bodden afsleiht

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Bodden + König