Fack­wark in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfakˌva͡ɐk/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fack·wark
n dat Fack­wark
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Fack + Wark