Hu­sch­nu­sch in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhʊʃ·nʊʃ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Husch·nusch
m de Hu­sch­nu­sch
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Duits:
Examples: