Tog­mest in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈtɔçˌmɛst/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Tog·mest
Plural: Tog­mes­ten n dat Tog­mest
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Tog + Mest