Gö­ren­kraam in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɡøːy̯·ɾənˌkɾɔːm/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Gö·ren·kraam
m de Gö­ren­kraam
[1]
perifere woordenschat
actief
Nedersaksisch:
wat, wat wat för Gören is

Etymologie:

Samensteld woord gevorms door: Göör + Kraam