op­rüt­zig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ɔp·ɾʏt͡sɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: op·rüt·zig
oprütziger oprützigst
[1]
geavanceerde woordenschat

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: op + -ig