Knee­pann in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈknɛɪ̯ˌpan/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Knee·pann
Plural: Knee­pan­nen f de Knee­pann
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Knee + Pann