Ap­pel­pann­ko­ken in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈa·pəlˌpan·kɔu̯kn̩/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Ap·pel·pann·ko·ken
Plural: Ap­pel­pann­ko­kens m de Ap­pel­pann­ko­ken
Plural: Ap­pel­pann­ko­ken m de Ap­pel­pann­ko­ken
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Appel + Pannkoken