Dreih­kuhl in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdɾaɪ̯ˌkuːl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dreih·kuhl
Plural: Dreih­kuh­len f de Dreih­kuhl

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: dreihn + Kuhl