Boom­schipp in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔu̯mˌʃɪp/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Boom·schipp
Plural: Boom­scheep n dat Boom­schipp
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Boom + Schipp