Stadt­kind in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈstatˌkɪnt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Stadt·kind
Plural: Stadt­kin­ner n dat Stadt­kind
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Antoniemen:
Dörpkind

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Stadt + Kind