Bö­ken­holt in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbøːy̯kn̩ˌhɔlt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Bö·ken·holt
n dat Bö­ken­holt
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Böök + Holt