Beer­bud­del in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɛɪ̯ɾˌbʊ·dəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Beer·bud·del
Plural: Beer­bud­deln f de Beer­bud­del
Plural: Beer­bud­dels m de Beer­bud­del
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
In de Beerkist sünd 24 Beerbuddeln in.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Beer + Buddel