blö­dig in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbløːy̯·dɪç/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: blö·dig
blödiger blödigst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: blöden + -ig