ge­gen in het Nedersaksisch

Uitspraak in het Plat: /ˈɡɛːɡn̩/ 🔊︎
prepositie
Afbreking: ge·gen
[1]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
He löppt gegen den Boom.
[2]
basiswoordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
[3]
basiswoordenschat
Nedersaksisch:
kenntekent en Uttuusch
Nederlands:
Engels:
for
Duits:
Voorbeelden:
[4]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Engels:
Duits:
Voorbeelden:
Gegen em is se man lütt.