Boh­nen­schacht in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈbɔu̯n̩ˌʃaxt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Boh·nen·schacht
Plural: Boh­nen­schächt m de Boh­nen­schacht
[1]
perifere woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Bohn + Schacht