kum­plett in het Nedersaksisch

Uitspraak: /kʊm·plɛt/
bijvoegelijk naamwoord
Afbreking: kum·plett
kompletter komplettst
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:

Etymologie:

Woord afleidt van: kum-