Dans­school in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈdansˌʃɔˑu̯l/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Dans·school
Plural: Dans­scho­len f de Dans­school
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Ik heff miene Fro in de Dansschool kennenlehrt.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: dansen + School