Eh­poor in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈɛːˌpɔː͡ɐ/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Eh·poor
Plural: Eh­poor n dat Eh­poor
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Eh + Poor