Festdag in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈfɛstˌdaç/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Fest·dag
Plural: Festdaag m de Festdag
[1]
geavanceerde woordenschat
actief
Nedersaksisch:
Dag, an den fiert warrt
Duits:

Etymologie:

Sett sik tohoop ut: Fest + Dag