Half­in­sel in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈhalfˌɪn·zəl/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Half·in·sel
Plural: Half­in­seln f de Half­in­sel
[1]
geavanceerde woordenschat
Nederlands:
Engels:
Duits:
Examples:
Jüütland is en grote Halfinsel.

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: half + Insel