Harvst­tiet in het Nedersaksisch

Uitspraak: /ˈha͡ɐfstˌtiːt/
zelfstandig naamwoord
Afbreking: Harvst·tiet
Plural: Harvst­tie­den f de Harvst­tiet
[1]
geavanceerde woordenschat
Nedersaksisch:
Nederlands:
Duits:

Etymologie:

Samensteld woord gevormd door: Harvst + Tiet